Gastcolumn: Kees van Sorge

"Pas als je de marsen uit je hoofd kon kreeg je een trommel en mocht je met de 'groten' mee gaan repeteren."

In de serie gastcolumns komen (oud-)leden aan het woord die een grote rol hebben gespeeld (of nog steeds spelen) voor de vereniging, en de vereniging op haar beurt in hun leven. Zij halen herinneringen op, delen een memorabele anekdote of brengen op andere wijze een ode aan V&V. Fanfarelid Kees van Sorge is al 55 jaar lid van V&V, en daarmee het langst spelende lid van de vereniging. In zijn column beschrijft hij zijn eerste jaren bij de tamboers en hoornblazer, waar het nog heel anders aan toe ging.


Mijn eerste jaren

“1964: het jaar waarin ik acht werd; eindelijk mocht ik ook in de muziek. Mijn vader speelde kleine trom bij Ons Genoegen, ik kreeg het dus eigenlijk met de paplepel ingegoten. Wij woonden al een aantal jaren in Souburg dus ik werd aangemeld samen met Cor van Dalen, John Cevaal en Frans Klap bij Piet Joosse in het toenmalige verenigingsgebouw aan de De Deckerestraat. Als je wilde leren trommelen kwam je bij de tamboers en hoornblazers, een beetje onterecht drumband genoemd. We begonnen de opleiding als de tweede lichting tamboers. De eerste generatie liep al een jaar op straat; ik heb m’n fotoarchief nog even moeten raadplegen, met onder anderen Piet Steketee, Leny van Leeuwen, Ida Postema, Anneke Vermeulen, Piet Baas, Jan van Lomwel, Bram Goedhart. Van meneer (Simon) Kasteleijn leerden we hoe we onze stokken moesten vasthouden en kregen we de eerste lessen, hij sloeg zelf kleine trom bij het grote korps (de fanfare).”


“De opleiding van muzikanten gebeurde door eigen leden, er ging niemand naar de muziekschool, ik weet niet eens of die er toen al was. Elke dinsdagavond aan een lange houten tafel (uit een marktkraam), waarop met schoolbordkrijt een witte cirkel werd getekend waar je met een soort boomstammen precies middenin moest slaan. We stonden naast elkaar en moesten om beurten proberen na te slaan wat Kasteleijn ons voorsloeg. De één moest dat twee keer doen, de ander wel twintig keer. Eerst leerde je roffelen (pan-ne-koe-ken), als je dat onder de knie had vlamslagen, te-lomslagen, roffeltje van vijf en negen. Daarna, maar dan was je al bijna een jaar verder, moest je de marsen gaan leren, die op straat gespeeld werden. Nog steeds op de tafel en alles uit het hoofd. Leren noten lezen mocht maar een select gezelschap (samen met John Cevaal en Ad de Visser), bij Kasteleijn thuis in de Buteuxstraat, maar dat was jaren later.”


“De eerste marsen die uit het hoofd geleerd moesten worden waren de dienstmarsen één tot en met vijf, de Schotse mars en de Amerikaanse mars. Pas als je die kon kreeg je een trommel en mocht je met de 'groten' mee gaan repeteren. Een trommel (als ik me goed herinner een Van der Glas, er zijn er nog een paar) met natuurvel, volgens mij van varkensblaas, waarvan het bovenvel, zou later blijken, als het regende tijdens een mars met een plastic hoes moest worden afgedekt om ervoor te zorgen dat het niet nat en onbespeelbaar werd. Die hoes werd met elastiek rond de ketel gespannen. Omdat de randen hoger waren dan het vel bleef er altijd een laag water op staan zodat de spetters bij het trommelen tot in je gezicht vlogen. Nadat je had 'leren lopen', met z’n allen achter elkaar rondjes in De Deckerestraat, konden we een uniform gaan passen bij Eversdijk in de Kanaalstraat en mochten we mee op straat.”


Exercitie “Eenmaal bij de drumband kregen zowel de blazers als de trommelaars instructie van Rinus Vuijk en exercitie van tamboer-maitre Jan Rijnhart. Die laatste kon helemaal niet trommelen maar 'zong' wat wij moesten spelen. De eerste acht maten dienstmars 1: Te-lom, te-lom, te-lom, te-lom, rechts le-de-da links rechts links rechts links te-lom, te-lom, te-lom, te-lom, rechts le-de-da links rechts. Contributie werd elke dinsdagavond tijdens de repetitie met de hand opgehaald door Jan van Lomwel, in het begin twee dubbeltjes. In die tijd was er geen Grote Club Actie maar haalden we extra geld bijeen met een luciferactie. Van alle 32 tamboers en hoornblazers werd een foto gemaakt die in verschillende kleuren op luciferdoosjes afgedrukt werden. Tijdens een aantal rondwandelingen door het dorp (begeleid door Bode Boon die met z’n vrachtwagen met pakken lucifersdoosjes achter ons aan reed) werden die lucifersdoosjes langs de deur verkocht. Later werden we op pad gestuurd om boodschappen te verkopen. Het was de bedoeling dat je bij zoveel mogelijk familie, vrienden en kennissen ging vragen wat ze die week aan boodschappen nodig hadden. Die boodschappen werden dan door de vereniging ingekocht en met een winstopslag verkocht.”


Schoenen poetsen “We deden regelmatig mee aan marswedstrijden, haalden daar hoge scores dus hadden een naam hoog te houden. Meestal binnen de provincie maar soms ook daarbuiten en zelfs een keer deelname aan een topconcours. Dan werd je niet alleen beoordeeld op de muzikale uitvoering maar ook op de exercitie. Exercitie oefenden we bij het voormalige gemeentehuis aan de Burgemeester Stemerdinglaan, later op het Miro-terrein en zelfs op het viaduct van de A58 dat toen werd aangelegd. Dankzij een houten plank die Jan Rijnhart achter onze ruggen hield in bochten tijdens het oefenen haalden we soms zelfs een 10 voor exercitie. Van Jan Rijnhart kregen we, als hij vond dat onze schoenen niet goed genoeg glommen, opdracht om onze schoenen te poetsen met onze zakdoek (en dat deden we nog ook!).”


“In die tijd organiseerde onze vereniging jaarlijks solistenconcoursen voor tamboers en hoornblazers. Muzikanten van verschillende Zeeuwse verenigingen streden in het Zwaantje om de bekers. Gejureerd werd er doorgaans door twee collega’s van Rinus Vuijk en ik kan me herinneren dat de strijd om het hoogst aantal punten meestal ging tussen Jo Meerman en Joke Schrijvers (van Euphonia uit Goes). De jaarlijkse uitvoeringen vonden plaats in De Zwaan. Niet één, maar meerdere zaterdagen achter elkaar een bomvolle zaal, met optredens van de tamboers en hoornblazers, de fanfare en daarna nog een bal na.”


“Een ander jaarlijks terugkerend hoogtepunt in die beginjaren was de Sint-Nicolaas intocht in Vlissingen. De tamboers en hoornblazers uit Souburg werden ingehuurd als Pietenband.

In het oude PZEM-gebouw werden we geschminkt en kregen we pietenpakken aan. Met de bus werden we naar de stad gebracht en als knechtenband begeleidden we Sinterklaas samen met Ons Genoegen, Cecilia, Oranje Nassau en de drumband van VTV op zijn route door Vlissingen.”


“Momenteel stevent de vereniging af op het 100-jarig bestaan in 2021, de voorbereidingen zijn in volle gang. Daar heb ik ruim 55 jaar van meegemaakt, begonnen als drumbandlid, later tamboerinstructeur, inval tamboer-maître, slagwerker in het jeugdorkest, de fanfare, Copper en Brass, negen jaar bestuurslid/penningmeester en niet te vergeten slagwerksjouwer. Er is in die periode ontzettend veel veranderd; tijden veranderen, mensen veranderen en ook muziek verandert. Hele volksstammen heb ik zien komen en gaan. Talloze dirigenten- en instructeurswisselingen en meerdere muzikale hoogtepunten, maar ook dieptepunten. Ik wens alle leden een bijzonder plezierige voorbereiding op het jubileumjaar en een knallende concertreis toe; dat dit een volgend muzikaal hoogtepunt mag worden!”